Het stadse leven – deel 1: Fietsen

1

8 dec. 2008

Het leek me wel weer eens tijd om flink te zeuren. Zeiken, ouwehoeren, van me af schelden. Aangezien ik niet de persoon ben om dit op iemand af te reageren, schrijf ik de opgekropte frustraties uiteindelijk op digitaal papier en kies voor een onderwerp dat vast vele Nederlanders bekend voorkomt.

Nederland is fietsland nummer 1. Heel fijn. Met z’n 17 miljoenen bezitten we ook zo’n 17 miljoen fietsen. En net als met auto’s gaat er weleens iets mis. Nouja, weleens? Vaak. Of eigenlijk gewoon altijd. Als plattelandsmeisje van het zeer ruimtelijke Goeree-Overflakkee ben ik gewend aan ellenlange stoepen, fietsenrekken, brede fietspaden en mijn vader in de buurt om meteen iets te fiksen als het kapot is. Dat is in Leiden niet het geval.

Even een schetsje…

Het is 8 uur ‘s ochtends. Terwijl je je fiets zo voorzichtig mogelijk van de gang via de voordeur naar buiten manoeuvreert, stuit je op tegenwerking. Tegenwerking in de vorm van 6 fietsen. Jawel, ik ben de gelukkige bezitter van een lantaarnpaal op de stoep. En ook nog eens van 4 buurjongens, die met hun studentenvriendjes nog veel meer fietsen voor mijn deur weten te parkeren dan op een gemiddeld schoolplein. Maar gelukkig staan deze fietsen nog net niet precies voor de deur en lukt het me op straat te belanden. Ik zet me af en trap zo snel mogelijk om te zorgen dat ik niet te laat kom voor de trein.

Onderweg haal ik drie naast elkaar fietsende, giechelende pubers in. Op weg naar school en totaal niet oplettend zwieren ze heen en weer. Waar komt al die vrolijkheid om 8 uur ’s ochtends toch vandaan? Het mijne is in ieder geval in bed gebleven, lekker warm. De eerste oversteek levert wonder boven wonder geen problemen op. De tweede echter wel. Het drukste punt van Leiden om 5 over 8. 3 rijen bussen staan klaar om de winkelstraat in te rijden, 4 auto’s wachten tot de bussen daar ook daadwerkelijk zijn gearriveerd en ik wacht op het blik fietsers dat opeens lijkt open te zijn getrokken en in chaotische opstelling op hun bestemming probeert te geraken. Mijn doel: het station. Binnen 8 minuten. Na 5 keer links en rechts kijken neem ik het risico maar. Ik voeg mezelf haastig in bij de stroming fietsers die van rechts komen, moet één keer ontwijken en wordt 5 keer ontweken, maar mijn invoegpraktijk voor vanochtend zit erop. Voor me rijd een jonge student op de meest gare fiets die ik ooit heb gezien. Het is niet echt een slag in z’n wiel meer te noemen, eerder een slagveld. Hij heeft moeite met recht voor zich uit rijden en ik ben dan ook blij als ik hem met m’n verhoogde snelheid heb ingehaald. Ik kom nog 3 van dit soort fietsers tegen, voor ik uiteindelijk bij het drukke stationsplein aankom, mijn afslag neem, m’n best doe geen voetgangers van het pleintje af te rijden en arriveer bij de ondergrondse fietsenstallingen van Leiden. En nee, dat is er niet één om trots op te zijn.

Als je het filosofisch bekijkt is het fietsenhok net een groep mensen. Je hebt mooie, stralende exemplaren, stevige en snelle types, oude en afgesleten soorten. Best mooi, die diversiteit. Maar als je het om 10 over 8 ’s ochtends bekijkt, is het gewoon één grote pleuriszooi en heb je nog 3 minuten de tijd om je eigen barrel tussen die talloze andere barrels in te duwen, je krantje mee te graaien en bezweet en al in de trein te sprinten, waar je uiteraard vervolgens moet blijven staan vanwege die fijne Nederlandse ochtendspits. Die 3 minuten zijn essentieel. Je maakt de keuze: proppen of duwen. Die dag werd het proppen. Aangezien ze bij Leiden Centraal al een paar maanden heerlijk aan het verbouwen zijn, is een stallingplekje zowat als De Ware geworden: zul je hem ooit vinden? Vandaag weer geen geluk. Twee in elkaar verweven fietsen, als twee onafscheidelijke tortelduifjes, worden door mijn prachtige Batavus Retro toch daadwerkelijk van elkaar gescheiden. Tot zover mijn bijdrage in de romantiek. Maar ach, liefde zit natuurlijk niet in een stuk ijzer, of wel? Ik ram mijn voorwiel tussen de lovers, raak verward in de trapper van de ene en het stuur van de ander. Ik ben hier duidelijk niet gewenst. Toch zet ik door, ontwar de fietsen en plant hem, minstens een halve meter uitstekend, neer op mijn plekje van vandaag. Ik worstel wat met mijn fietsketting, ruk m’n slot er bijna af en haast me naar perron 4. Hopelijk komt mijn gemompelde ‘goedemorgen’ nog aan bij de Metro-uitdeler, en heb ik met wat geluk zelfs nog een plaatsje in de trein. Het geluk is echter op; ik wring me tussen de forensen in de volstaande coupé, forceer het krantje onder mijn oksel vandaan en lees de kop: ‘Tot 2010 werkzaamheden rond Leiden Centraal’.

En dat was dan slechts het begin van de dag. ’s Avonds, na 8 uur langs schermstaren, typmiepen en een 40 minuten lange treinreis is het donker, ben ik moe, moet ik nog koken, douchen en afwassen en als het even kan stofzuigen. Bij aankomst in het fietsenhok is mijn stemming niet al te best en wil ik zo snel mogelijk naar huis. Maar dan schetst mij de verbazing. Eén van de klefbekken heeft z’n fiets weggehaald. Blijkbaar is hij of zij zo heftig bezig geweest (hadden ze ruzie? was de liefde over? is er een andere fiets bij betrokken?) dat de tweede fiets bovenop de mijne is gestald. Alhoewel stallen niet echt meer een juiste benaming is; pleuren, dumpen of deponeren is passender. Het gevolg? Een afgebroken standaard die 5 meter verderop iemand doet struikelen, mijn achterlicht kapot en mijn spatbord verweven in de spaken. Om nog maar niet te spreken over de 10 andere fietsen die door deze actie zijn omgevallen en voor een massa slachting van metaal, ijzer en glas hebben gezorgd. Na 5 keer aan het stuur te hebben gerukt, raakte mijn fiets steeds maar meer verstrikt in het doolhof van sturen, trappers en spaken.

Waarschijnlijk was de wanhoop van mijn gezicht af te lezen, of maakte ik gewoon iets meer lawaai dan gebruikelijk was in een fietsenhok, want de eerste de beste voorbijganger schoot me te hulp. Deze vriendelijke jongen was niet alleen knap, aardig en hulpvaardig, maar ook nog eens heel sterk. Als een geoefend fietsenrukker, rukte hij in één ruk mijn fiets uit het labyrint. Easy as that. Ik zette mijn allerliefste glimlach op, dacht geniepig dat dit best vaker mocht gebeuren en bedankte hem op mijn meest dankbare manier. Ik vroeg hem nog net niet om zijn nummer met de belofte hem als ‘mijn fietsenredder’ op te slaan, dat ging me te ver. Ik klungelde wat met mijn slot, keek nog één keer om en manoeuvreerde mijn fiets de steile wand op naar het stationsplein. Zelfs de eerste druppels van de in aantocht komende plensbui konden me niets schelen. Ik zwier een beetje rond, adem diep in, trap af en toe wat en lach de stad toe. Veel te snel arriveer ik bij mijn huisje en zweef zowat mijn gang in. Ik zat mijn fiets op de standaard…de standaard…de standaard? Waar is de standaard?! Mijn voet maakt rare luchtbewegingen, een soort golfen zonder bal. Juist, mijn standaard is niet meer. Ik klik mijn achterlicht uit. Oh nee, daar is alleen het achterkantje nog van over. Geen lampje te bekennen. Ik pleur mijn fiets breeduit in de gang neer, zet de verwarming wat hoger en plof neer op de bank. Morgen weer een dag in deze fietsenhemel…

Print Friendly, PDF & Email
Share.

About Author

Hi there and welcome to my little online world! I'm Danielle, 27 years old and living in Zoetermeer, the Netherlands. Most of the time, you'll either find me behind the laptop writing for my own company DanceWrite.nl, or doing my magic in the kitchen. You see, I've got this thing for food, writing, music and poetry. To me, it's all about the love and passion. Oh, and did I mention food & writing yet? :)

1 Comment

Leave A Reply